Muziek: Queen & David Bowie - “Under Pressure”
Thursday, May 31st, 2007
De laatste voor de vakantie. Fotosjop Jack heeft een zomerstop. Da’s niet eerlijk!!! Eerst aanzetten tot een “verslaving” en dan de hele meute een “cold turkey” bezorgen…
Vandaar:

Hij las de “Rails” wel eens door. Vooral de advertenties waarin mensen elkaar zochten, vaak na slechts een schuchter oogcontact. Grappig. Blijkbaar sloeg de bliksem wel eens over onder de bovenleiding. Sinds kort herkende hij het.
Ingestapt in Utrecht was hij gaan zitten. Tweede klas en het was in de begindrukte net voor de spits. Terwijl de trein vertrok keek hij eens het treinstel door. Niet veel te zien, het zicht beperkt omdat hij links achterin zat. Hij kon alleen de banken naast hem en net een set banken naar rechts voor kijken. Vluchtig keek hij de medepassagiers langs. Kalende ambtenaren met leren kantoortassen, sommige met schouderband. Zakenfiguren met koffertje. Ok, hij was dan kalend maar hij droeg wel een rugzak. Dat was eigenlijk net zo beeldbepalend bedacht hij.
Moe keek hij naar buiten waar de herfst had toegeslagen. Het kon nog net want het werd nu snel donker. Het raam begon te spiegelen. De coupe werd duidelijker zichtbaar in het voorbijgaande landschap. Dat was leuk want nu kon hij lekker zijn hoofd tegen de koele zijkant van de bank aanleggen en zo toch een beetje rondkijken. Lang hield hij het niet vol. De mensen waren stil, bewogen werd er weinig. Al snel sloot hij zijn ogen, dommelde weg, slechts wakker gehouden door zijn eigen vermoeidheid.
Station Gouda. Hij ging rechtop zitten. Mensen gingen naar buiten, mensen kwamen binnen. Zij ook. Een beetje tuttig met kantoorrok. Niet zo’n christelijke rok waarvan je er op deze route er wel eens meer van zag, vaak hangend om puberale meisjes die blijkbaar in kuddes van a naar school gingen omdat in hun woonplaats niet de juiste school te vinden was. Een nette, ietwat tuttige kantoorrok. Hij verbaasde zichzelf door naar haar te blijven kijken terwijl ze ging zitten. Rechts van het pad, in de volgende box tegenover hem zodat hij haar nog net kon zien. Hij bleef kijken terwijl ze zich nestelde op de bank tegenover hem. Ze merkte het niet, kruiste haar benen netjes en pakte een boek. Mooie ogen bedacht hij. Ze keek op en hij wendde zich af. Oef!
Terwijl de trein alweer in volle vaart was gekomen waagde hij het om weer op te kijken, Haar jas was nu los terwijl ze zat te lezen. Ze was echt leuk. Hij verbaasde zichzelf weer over die gedachte. Ze was tuttig!! Wat had hij? Waarom raceten de gedachten door zijn hoofd, kon hij ze niet vastzetten? Hij zat te staren, grofweg te staren en ze voelde het. Keek op. Zag hem. Zag hem staren. Keek terug. Hij voelde zich onmetelijk warm worden. Bloed steeg naar zijn hoofd. Paniek! Verwarring!! Buiten was het opeens heel interessant…Heel mooie ogen.
Wat moest hij nu? Hij moest weer kijken, gedwongen. Maar hij kende dit niet. Dit waren onbetreden paden. Daarom wilde hij eigenlijk ook niet. Dit was hij niet. Hij besloot zijn ogen weer dicht te doen, leunde weer tegen de hoofdsteun van de bank. Hij zuchtte. Keek naar buiten en ving een glimp op in het raam. Hij kon haar zien! Maar net, niet scherp, schuin en vertekend. Hij keek, keek via het glas. Ze las weer met haar wonderschone ogen.
Wat nou! Overboord met al die zekerheden! Weg met gekozen veiligheid! Wat wilde hij nou? Maar wat nou als, wat nou als het misging? Wat nou als het klikte? Mond vol tanden? Lak! Hij verschoof en keek weer naar haar terwijl ze zat te lezen. Wat was dat nou voor rare sjaal? Eigenlijk droeg ze ook wel tuttige schoenen… Hij verviel weer in een onbeschaamd staren. Als ze nu keek zou hij haar gewoon aankijken. Langer dan comfortabel. Zo werkte dat toch? Ze keek… hij keek een eeuwigheid en ze lachte. Ze lachte en gooide keihard een ongelofelijke hoeveelheid benzine op het vuur. Volkomen de weg kwijt zakte hij weer weg naar links. Wat was dit? Goed? Slecht?
Wat nu!? Hij hoorde het zichzelf schreeuwen. Hij wilde weg, hij wilde blijven. Wat nu!? Nog even, straks misschien bij het uitstappen, een kans? Maar wat, o mijn god, wat moest hij zeggen? In zijn hoofd was hij al stappen vooruit die even plotseling als weer terug werden gedaan. Paden werden bewandeld maar eindigden allemaal abrupt in een labyrint van gedachten. Hij staarde in het raam waar haar gespiegelde beeld ook niet bijdroeg aan het vinden van rust, aan het vinden van de moed.
Den Haag Centraal. Eindpunt en ze was er nog. Kritisch punt. Doe nou! Niet! Hij stond op. Zij stond op. Hij liet haar voorgaan toen ze haar box uitkwam. Het middenpad op. Ze lachte zijn hoofd op hol zoals ze had gedaan als hun blikken elkaar nog eens kruisten en hij verdronk in haar ogen. Geen zinnig woord zou hij zo kunnen spreken hoogstens “uh”. Op het balkon steeg de hartslag en werd het warm. Ze stapten uit. Wat moest hij zeggen? Wat kon hij doen?
Vanaf het perron liep hij de hal in. Ze liep nu achter hem. Hij maande zichzelf tot actie en besliste dat het zo niet kon. Dat hij anders die nacht wakker zou liggen, zichzelf vervloekend. Hij draaide zich om… weg! Ze was weg. Nergens meer te zien. Hij liep terug tegen de stroom in. Weg! Hij liep een rondje in de hal, de boekenwinkel, de cd-zaak. Zoekend. Nog een rondje in de hal, naar het perron in de hoop haar weer te vinden. Maar ze was er niet. Niet meer.
In de bus was hij boos geweest. Boos op de bliksem die was ingeslagen. Boos op zichzelf. Boos om de gemiste kans wat te doen. In de dagen erna sloeg de boosheid om in verlangen, in dromen van wat had kunnen zijn op wel honderd manieren. In de stilte van die dromen nam hij de beslissing om een volgende keer het gewoon te doen…
Pinksteren: De Heilige Geest, de derde vorm van de goddelijke drie-eenheid, daalde neer uit de hemel. Voor de meeste mensen gewoon een lekker lang weekend, voor anderen de dagen om zich te wentelen in de modder van PinkPop. Muziek luisteren, tenminste dat is de bedoeling… Voor de thuisblijvers hier ook wat muziek. Nummers die, door mij, op een of andere manier “aan elkaar gehaakt” zijn.
Nelly Furtado - “Say it right”
Weet u misschien waarom
Ik dwaalde door het bos totdat ik bij een water kwam. Ik nam een slok terwijl de vissen onder mijn handen wegschoten. Koel helder water met sterren erop. Dit was de plek om mijn kamp op te slaan. Een omgevallen boom om op te zitten, mos om op te liggen. Ik verzamelde negen stenen voor mijn kring en hout om vuur te stoken terwijl de avond viel. Op mijn boom zat ik te denken waar mijn pad zich heen zou kronkelen en zong een oud dwalerslied:
Kom stap in ferme passen
over karresporen heen
Vrees geen trollen en geen heksen
want die zijn toch slecht ter been
Paden, wegen
kennen nooit een eind
Kom stap in ferme passen
over karresporen heen
Vrees geen rovers en bandieten
in mijn rugzak zit slechts steen”
Met het laatste woord besefte ik dat ik mijn negensteens kring nog moest maken voor de nacht definitief viel. Rond de zachtste plek in het mos, legde ik een cirkel van steen zodat een vredige slaap mij zou kunnen overmeesteren tot de eerste vogels zouden gaan zingen. Nog voor mijn hoofd het mos raakte sliep ik al een slaap zonder dromen.
Zacht kwamen ze aangelopen, eigenlijk was het meer zweven. Op vijf poten en onderling verbonden door een rood gloeiende ketting. Hoorns van staalblauw rondom een hoofd met drie ogen. Ze snoven, kwijlden, bliezen naar elkaar, de negen. Ze liepen om de kring. Voorzichtig. De voorste beroerde met zijn hoornen poot 1 van de stenen en met een pijnlijke schreeuw sprong hij achteruit. Dit hadden ze vaker gezien, gevoeld. Wild liepen ze door elkaar heen, kettingen rinkelden maar raakten niet in de knoop als zij elkaar vloeiend doorkruisden. Een ziel, een dwaler, een kring. Honger, drang. De kring was te veel, nooit zouden ze hem kunnen doorbreken. Ze wisten het. Uiteindelijk was het de voorste die om de cirkel heen liep. De ketting kwam strak te staan en zo trok hij de tweede van de negen mee… Langzaam vormde zich een cirkel verbonden door een rode gloed. En zo gebeurde het dat bij elke steen 1 van de negen stond. De kettingen strak. Een cirkel van negen stenen, een cirkel van de negen er precies omheen. Pas. Instinctief voelden de negen dat dit bijzonder was, een sleutel. Alsof het afgesproken was stapten ze gelijktijdig de cirkel in. Niets gebeurde, geen pijn, geen schok. Met een vreugtekreet stortten ze zich op de slapende man.
Ik loop door het bos en heb honger. Net als ik een bes wil plukken trekt een rood gloeiende ketting mij mee. Ik schreeuw. Wij zijn tien. Op zoek naar een dwaler, een reiziger die gaat slapen in ons bos. Die denkt dat negen stenen, hem van ons verlost.

Op mijn gebruikelijke zwerftocht door de al dan niet donkere krochten van het wereld wijde web dreigde ik enigzins depressief te raken. Bij woordkunstenaar Alpain liep ik tegen het eerste donkere logje aan. Wonderschoon maar donkerzwart. Vervolgens op bezoek bij mevrouw Guin. Die deed er nog een schepje bovenop met haar favoriete begravenismuziek. Vervolgens tik daar in de reacties een log aan waar ik ook al niet blij van werd. Vandaar protest! Nou had ik Alfred J. Kwak al een keer langs gehad en die paste ook niet geheel bij mijn zwartgallige opstandige stemming vandaar: (LET OP:toch wel 16+!!!)

Ik kijk graag muziekclips. Heel graag. Net als bij reclames heb ik dan wel een rare gewoonte: zodra er dansende groepen (of iets in die richting) in te zien zijn ga ik kijken naar “foutjes”:
Let u vooral op de dame in het groen.
Het is vast de vrouw/vriendin/dochter/kleindochter van 1 van de zangers dat ze haar toch in de clip hebben gehouden, al is het maar een beetje achteraan. Overigens is ze wel consequent!
De clip van Daft Punk uit de vorige post zit wat dat betreft een stuk beter in elkaar. Respect voor de choreogra(a)f(e)! Toch zit er een struikelingetje in…Rond 3 minuut 26 (Vrij aan het begin, Youtube telt af!) valt zo’n lang mannetje bijna over de hoek van de trap… Het valt bijna niet op maar ik denk zeker te weten dat als de makers het ook hadden gezien er een ander shot was gekomen! Daarvoor is de rest van de clip te goed!
Heeft u nog mooie voorbeelden?