Archive for the 'Lettertjes en woordjes' Category

Dolf

Monday, November 5th, 2007

Terwijl hij daar zat, warme chocomelk met een broodje, kwam een grote man aangelopen. Een mooie man. Charmant. Kaal, goed gebouwd. Alleen. Strak in een maatpak, een prachtig hemd met een onberispelijk geknoopte das. De man ging aan het tafeltje naast hem zitten met een koffie en draaide zich om. “Mag ik je wat vragen?”. Natuurlijk mocht dat.
Wat kwam verraste hem echter. Tikte in achter de linies ondanks een zorguldig gecultiveerd wantrouwen tegen mensen die met dit soort zinnen een gesprek begonnen. “Ik zag je net op de afdeling, waarvoor ben jij hier?”. Persoonlijk, te persoonlijk in 1 keer. Alle ankers gingen uit, wat een vraag! Hij gaf geen antwoord terwijl hij zich herstelde. Waarom wilde die man dat weten, wie was hij?

Hij vroeg de man aan zijn tafel, stelde zich voor. IJsbreken. Dolf. Dolf draaide zijn stoel en vertelde. 20 jaar, laatste controle, eindelijk. Dolf was blij, Dolf was vrij! Hij luisterde naar die charmante man die zijn verhaal vertelde. Die vertelde dat er een toekomst was. Hij luisterde en keek, voelde zich vreemd, maar of het jaloezie was?

Het afscheid was al net zo raar. Ploef! Alsof het vreemde gesprek in lucht op ging terwijl er zoveel nog bleef hangen. Magisch? Dolf was weg. Verdwaasd vroeg hij zich af wat hem was overkomen. Overrompelt en totaal uit zijn evenwicht. Hij dronk zijn chocomelk op en wist dat dit hem nog dagen zou achtervolgen tot het een plekje had.

Het is een jaar later. Hij zit er aan een tafeltje en eet een broodje. Kijkt rond terwijl hij denkt aan die ontmoeting. Aan dat geluk, aan dat stralen, aan die toekomst. Aan die vreemde ontmoeting, die nu nog steeds geen plekje heeft. Ergens hoopt hij dat er een grote charmante kale man aan komt lopen die komt vertellen dat het nog steeds goed met hem gaat. Maar hij weet ook: als het goed gaat zie je Dolf hier niet.

Running
(c) Xan

Boodschappen

Friday, August 3rd, 2007

Ze was hem in de supermarkt tegen gekomen. Kende hem nog van vroeger. Een veertiger was het nu, zij ook. Hij was lang, goed gebouwd. Mooie spijkerbroek en een merkpolo. Geen buikje te zien. Gel in zijn haar. Bronzen stem. Ze hadden gepraat over toen en nu, even snel, tussen de chips en de fruitsappen. Even was ze haar man en kind vergeten…

Bij de kassa stond ze in de rij tegenover de kassa waar hij afrekende. Terwijl ze haar man hielp met het inpakken van de boodschappen zag ze hoe hij betaalde. Briefje van 100 euro. Zo’n groene. Die zag je niet veel. Uit zijn portemonnee kwamen nog meer groene hoekjes. Nog een keer “tot ziens” en hij was weg. Haar man stond de bon na te kijken. ‘Zag je dat?’, vroeg ze. ‘Hij doet het blijkbaar goed want hij betaalde met honderd euro en in zijn portemonnee zaten nog meer van die briefjes….’.

Haar man keek op van de bon. Keek haar aan. Knikte. Ja, hij had het gezien…

Alles.

Klaquenes

Wednesday, August 1st, 2007

De volgende samenvatting is gemaakt aan de hand van de ‘Intergalactische Planetengids’, 15e druk gepubliceerd in 3045. Een standaardwerk dat op geen enkel schip mag ontbreken. (Volgens de uitgever dan)

Klaquenes

Planeettype: Terra

Klasse: A1 (Direct bewoonbaar)

Geschiedenis:

2092 - Het exploratieschip ‘Biannual Par I’, eigendom van de GenMan-company ontdekt de kleine planeet. Bij nadere inspectie blijkt de planeet een klasse A1 te zijn. Direct bewoonbaar, geen intelligentere levensvorm aanwezig. De gezagvoerder van het schip, de van afstamming Nederlandse kapitein Tokkie claimt de planeet voor de GenMan-company en mag haar een naam geven. Geheel trouw aan de traditie van de Nederlanders om hun huizen, boten en andere grotere bezittingen te vernoemen met behulp van de eerste letters van de namen van kinderen en/of kleinkinderen doopt hij de planeet ‘Klaquenes’.
De GenMan-company onthief, ondanks de spectaculaire en profijtelijke vondst, de goede man direct uit functie. ‘GenMan’ was volgens de directie een betere naam geweest. Helaas voor het bedrijf was de naam al wettelijk vastgelegd en dat was dat.

Wel blij met de naam was de eigenaar van GenMan, Prof. Dr. Valkstrom. Hij vond ‘Klaquenes’ een mooie exotische naam die wel bij zijn toekomstplannen paste. Valkstrom was een briljante doch ietwat perverte geest die zijn bedrijf had zien groeien tijdens de ‘Eerste Koloniale’. Een opstand van gekolonialiseerde planeten tegen het centrale bestuur op Aarde waarbij de Aarde werd verweten deze planeten te ontdoen van hun grondstoffen voor eigen gebruik zonder rekening te houden met de belangen van de plaatselijke kolonisten. Valkstrom ontwierp, door middel van genetische manipulatie en kloontechnieken, soldaten voor ‘Earth Defense’. ED was een bedrijf ingehuurd door de Centrale Regering en verdiende goed aan het onderdrukken van de opstand. Genman dus ook.

Na de verkoop van GenMan, waarbij hij het eigenaarschap van ‘Klaquenes’ bedong, begon Valkstorm aan het ontwerpen van een prototype wezen dat aan alle sexuele verlangens van een mens kon voldoen. Nooit hoofdpijn, nooit falende bloeddruk. Het perfecte speeltje op maat voor wie het kon betalen. Het ontwerp van deze wezens en de latere productie ervan vond en vind nog immer plaats op Klaquenes. De planeet werd al snel een soort van voorraadkamer van Valkstrom. Al snel werden de wezens vernoemd naar de planeet waar ze vandaan kwamen: Klaquenessen. (Mannelijke verschijningsvorm: Klaquenesser / vrouwelijke verschijningsvorm: Klaquenesse)

De geniale Valkstrom was in staat om de Klaquenessen op bestelling en op maat af te leveren. Van gewoon tot extreem, wat de klant wilde kreeg de klant. “Lust in elke verpakking” was dan ook de slogan van Valkstrom, die overigens kort na het opzetten van deze onderneming aan een hartstilstand door oververmoeidheid stierf.

Gedurende de jaren hebben de Klaquenessen zich ontwikkeld tot een zelfstandig volk. Ze zijn eigenaar van de planeet ‘Klaquenes’ en ontwerpen en maken zelf (op verzoek) nieuwe Klaquenessen aan. ‘Klaquenes’ is inmiddels een van de rijkste planeten uit deze gids. Na enkele nare ervaringen maken de Klaquenessen gebruik van de diensten van ‘Earth Defense’ kloon-soldaten ter bescherming van hun planeet en hun persoon.

Een bezoek aan deze planeet is mogelijk. Voorwaarden zijn:
- Voldoende vermogen
- Voldoende vermogen
- Voldoende vermogen
Indien u niet aan deze voorwaarden voldoet zal u niet worden toegelaten.

Opname van deze planeet in onze gids is mede mogelijk gemaakt door:

‘Earth Defense’ - “We Kill it our way!”
‘Klaquenes’ - “We do it your way, all the way, anyway!”

Muridae Ferro

Saturday, July 14th, 2007

Ik wil vertellen van Dagtar de ruimtejutter maar niemand luistert. Deze kroeg stinkt en niemand leent mij één van zijn drie oren om mijn hart aan uit te storten. Dagtar, die met zijn schip op de rand van het heelal niets anders deed dan wachten op wat op hem af dreef. Oude satellieten, kapotgeschoten wrakken, schepen waarvan de bemanning massaal gestorven was. Dagtar enterde alles, stripte de boel en duwde de resten desnoods zelf de rand over. Favoriet bij Dagtar, net zoals bij alle ruimtejutters, waren de ruimtelijken van de Vløch. De Vløch waren een rijk volk dat geloofde dat geluk over de rand lag. Daarom stuurden ze hun doden, voorzien van alle rijkdom, in capsules richting de rand. Als ruimtejutter kon je een jaar lang leven van één capsule, de rest was dan winst. Helaas stierf er maar één Vløch per 100 jaar…

Barman schenk mij nog eens in, van die Anebische room en ach wat, laat ik eens gek doen: een schoteltje ferroblokjes zonder gaten. Kan er ook een raam open? Wiens oor is dit? Het is groot genoeg, laat mij praten.

Dagtar, de ruimtejutter, keek niet op een ruimteleven, ruimtewezen minder of meer. Zo sneuvelde eens een beeldschone Klaquenesse, als enige overgebleven op een schip. Haar technieken konden haar niet redden en nadat hij genoten had was een uitgeschoten nagel voldoende. Die doorboorde één van haar vijf harten dat lag achter haar vierde borst. Een borst die daarvoor nog gekoesterd was. Dagtar was geen fijne man.

Ach u kent mij niet? Muridae Ferro, zo heet ik, wij allemaal. Wij zijn met velen op een schip naar de rand gevaren. Gedreven eigenlijk. Want alhoewel het schip van kunststof was, was de motor van metalen.

Zo kwam het dat Dagtar ons vond, we waren echt met duizenden. Nog voor de sluis volledig aangekoppeld was waren de eersten al bij hem aan boord, bijna stervend van de honger. Toen begon het grote moorden. Maar we moesten wel, gedreven door al dat mooie metaal. Duizenden van ons zijn gestorven tot ik alleen nog over was. En Dagtar… in een schamele capsule.

Barman, nog een schaaltje ferroblokjes graag! Zeg oor, je luistert toch nog wel?

Net voordat we rand passeerden kwam er een Vløch-schip langs. Zo’n ruimtejutterjager. Dagtar werd uit zijn capsule gehaald en ik heb mij aan boord verborgen. De Vløch kenden geen mededogen en Dagtar werd opgeblazen en leeggepompt. Zijn gele vel werd aan de muur gehangen naast een bordje met zijn hoofd. Voor de zekerheid ben ik wat stiller gaan knagen. Zo kwam ik hier zonder mezelf te verliezen.

Ik zie u lachen, merk dat u mij niet geloofd. Kijk hier jij oor, ik ben niet dronken! Hier in deze ruimtekrant. “S.S. ‘Alpha I Top’ geheel opgevroten” en “Dagtar de ruimtejutter verliest zijn kop!”

Met beer op de bus

Tuesday, June 26th, 2007

Ik zag hem al bij het instappen. Onder de arm van een mevrouw. De mevrouw kon ik niet goed inschatten. Wie staat er dan ook op het busstation met een toch wel grote beer onder haar arm? Die mevrouw dus! Ze wachte tot iedereen naar binnen was en stapte ook in. Ik had inmiddels een plekje gevonden achter de buschauffeur op zo’n “tegen-over-elkaar-zit”-bankje. Lekker ruimte voor mijn benen zolang het het niet al te druk werd.

Ik zal het waarschijnlijk wel aantrekken maar de mevrouw met de beer ging schuin tegenover mij zitten. Beer kreeg de plek tegenover mij en de bus vertrok. Ik keek de beer aan, beer keek terug. Ik vroeg mij af of ik over het weer zou beginnen of dat ik zou vragen of ik misschien een foto van hem mocht nemen. “Hem” want iedereen weet natuurlijk dat grote bruine beren van stof per definitie mannetjes zijn. Net als elke andere teddybeer trouwens! Zelfs die met een rokje aan.

Het was echt een grote beer. Zo groot als een kind van een jaar of zes. Een donkerbruine lusjes beer met zwarte vilten zolen, zwarte vilten neus en zwarte ogen. Hij stond niet bol van de vulling, een beetje slappe beer. Een echte knuffelbeer. Na een poosje bedacht ik dat dit waarschijnlijk een echte “self-made” beer was. Wat moest een volwassen vrouw in de bus met een beer? Ik durfde het niet te vragen, was bang voor een droef verhaal over een verloren dochter of een romantisch verhaal over hoe ze hem gekregen had van haar lieve vriend. En zo zat ik tegenover beer. Ik keek beer aan, beer keek terug.

Paf! Een grote elleboog kwam neer op het achterhoofd van beer. Ik schrok. Dit was zeker niet de moeder van beer! Die zou dat nooit doen. Beer zat plotseling met zijn neus op zijn knieen en een elleboog in zijn nek. De vrouw ondersteunde haar hoofd en deed haar ogen dicht. Zij gaf niks om beer! Beer was niet meer dan een ding voor haar. Ze was misschien de grote boze stiefmoeder van beer. Niets was meer over van de vrolijke beer die mij aan had zitten kijken. Nee, het was nu een heel, heel zielige beer. Ik keek naar beer, beer keek naar zijn grote teen.

De boze stiefmoeder ging verzitten, een knijpende arm om beer heen. Niet liefhebbend teder, nee, puur om zichzelf te ondersteunen. Beer zat rechtop maar gelukkig was hij niet meer. Bij de volgende halte werd het druk. Beer werd zonder verdere plichtpleging achterin het bagagerek bij de buschauffeur gedumpt. Daar lag hij. Zijn linkerbeen naast zijn linkeroor, zijn neus richting het gangpad, verfromfraaid. Ik wilde niet meer naar beer kijken. De berenmishandelaarster was opgeschoven naar tegenover mij. Zat onderuitgezakt met haar ogen dicht. Een zak lappen.

En alles in mij schreeuwde: “Terug die beer!”

beer

Twee regels die maar niet meer willen worden

Sunday, June 24th, 2007

“Ik proef op mijn lippen
de smaak van chocola”

Zeggen ze dan genoeg?

Bijpassend muziekje op zondag

Eed of belofte, de notaris weet het niet…

Wednesday, June 20th, 2007

Vanavond zag ik hem weer: de reclame voor de “Notaris”. Behoorde vroeger de notaris tot de notabelen met een eerzaam beroep, tegenwoordig zijn ze commercieel. Ik vind dat jammer maar goed, de tijd hobbelt door en we scharen het onder de noemer van vooruitgang.

Waarvoor heb je een notaris nodig? Ze komen onder andere om de hoek kijken bij testamenten, samenlevingscontracten en bij het kopen van een huis. Natuurlijk doen ze nog veel meer interessante dingen. Vrijwel al die dingen zijn verbonden met een belangrijke stap in een mensenleven. Belangrijke dingen die nauwkeurigheid vereisen.

Nu hebben ze deze reclame. Onder stemmige muziek maken toga’s zich klaar om iemand “in te zweren” en een dame maakt zich klaar om dat te gaan doen. Als de ceremonie begint valt de onvermijdelijke laatkomer binnen. (Is dat de komische noot?) Het filmpje heet “Dat beloof ik!”

De eerste gesproken woorden: “Als notaris zweer ik…”. De dame beantwoord de formule met “Dat beloof ik!”. Filmpje!

Nu zijn de waarschuwingen bij het afleggen van een eed niet van de lucht! Een plechtig moment, maak geen fouten! Dan nog zijn er mensen die zeggen “Zo waarlijk helpe mij God allemachtig!”

Er zijn in dit soort gevallen twee keuzes: de eed (”Zo waarlijk helpe mij God almachtig”) als u in god gelooft, de belofte (”Dat beloof ik”) als u dat niet of anders doet. U mag gelukkig zelf kiezen. Volgens mij bestaan er geen mengelmoesje van die twee en aangezien het best wel een serieuze zaak is moet je daar zorgvuldig mee zijn. Zeker als notaris. U begrijpt, er ging iets kriebelen bij mij na het zien van deze reclame en niet alleen omdat mijn tenen zich er van kromden.

Volgens Van Dale is zweren: “een eed of eden afleggen”. Wat is dan een eed afleggen? Van Dale:“plechtige verzekering onder aanroeping van God, dat men de waarheid spreekt of een belofte zal nakomen”. Volgens mij heb je dus als je zweert, God nodig!

Conclusie: Zolang de dame “dat beloof ik” roept legt ze de belofte af en zouden de eerste gesproken woorden “Als notaris beloof ik…” moeten zijn!

Ach…. u zal het waarschijnlijk allemaal een worst zijn, zolang u de erfenis maar krijgt! :wink:

sjiek

Brief

Friday, June 1st, 2007

Opstaan. De geur van koffie drong al door vanuit de keuken. Opstaan! Hij klom uit bed en waste zich, deed kleren aan. In de keuken schonk hij zichzelf koffie in en zette het apparaat uit. Zo zou hij het niet vergeten, hij had al eens een nieuwe moeten kopen.
Boven de ochtendkrant dronk hij zijn koffie. Niets nieuws. Onderzoekjes, statistieken. Criminaliteit. Moorden: afgenomen. Inbraken en straatroof: toegenomen. De eeuwig terugkerende golf.

Tijd om te gaan. Weer een lange dag die begon met anderhalf uur openbaar vervoer en daar ook mee zou eindigen. Jas aan, koffertje gepakt, de deur uit. Hij draaide de deur op slot en liep weg. Oeps! Hij was de brief vergeten. De brief die hij gisteravond zo zorgvuldig geschreven had. Soms met tranen in zijn ogen. De brief die hij voortaan bij zich zou dragen, zo had hij besloten. Hij moest die brief nu pakken, anders zou hij hem nooit bij zich gaan dragen. Terug in huis pakte hij de brief, vouwde hem klein en stopte hem in zijn portemonnee. Die had hij altijd bij zich, zo was het goed. Snel weer weg en met een beetje geluk haalde hij zijn bus nog. De dag was begonnen.

Ze waren met zijn vijven die middag. Twee man uitkijk, èèn voor de overdracht en hij samen met Harry voor het handenwerk. Ze waren goed, hij wist het. Een mooi team. De uitkijkers hadden een neus voor politie. Zo herkenbaar, zelfs in burger. Er was iets in hun gedrag, uitstraling. Ping! Dan trilde het mobieltje in zijn broekzak. Liever een keer te veel dan te weinig. Het was een aardige dag tot nu toe. Mp3-spelers, een enkele I-pod, een los paspoort. Handel en de spits was nog maar net begonnen.

Het was eigenlijk altijd een verrassing wat de buit was. Soms zag je de oordopjes hangen, dat was een zekere. Maar uiteindelijk ging het er om om de juiste uit te zoeken. Dat deed Harry. Harry wachtte bij de trein en zocht er één uit. Ging naast hem lopen in de drukte van mensen die de trein uitkwamen. Zelf ging hij aan het begin van het perron tegen de stroom in, botste en deed zijn werk. Binnen was de buit. Daarna meteen overgeven zodat hij niks meer had mochten ze hem ooit pakken. Een goed team, je kon er op vertrouwen en hij was er trots op. Met zijn vijven hadden ze zo een aardige boterham extra, naast hun andere klussen. Een goed leven zo lang je niet gepakt werd. De volgende trein die aankwam was die op perron vijf. Ze stonden klaar.

Hij stapte uit, de meute in. Jas los, koffer in de hand. Het was benauwd geweest in de trein. Druk. De redelijk frisse lucht buiten deed hem opgelucht ademen terwijl hij door de stroom werd meegevoerd. Nog een kleine twintig minuten met de bus. Voor hem doemde plotseling een man op. Een eikel die tegen de stroom inliep. Met een klap liep hij tegen hem aan.

De dingen gaan plotseling snel die middag. Hij voelde het mobieltje afgaan. Zijn vingers zittten al in de binnenzak van de man. Portemonnee! Naast Harry verschijnt een snor die zijn hand op Harry’s schouder legt. Zelf mompeld hij een excuus tegen de man, begint te lopen en steekt de buit in zijn binnenzak. Voetstappen achter zich. Rennen! Zigzaggend door de mensen. Weg van hier! Buiten het station. Was hij ze kwijt? Hij keek achterom. Geluk. In de spits waren ze hem kwijtgeraakt. Hij liep door, weg van het station. Schichtig keek hij achterom…

Ze had haast. Haar lief was aangekomen op het station en ze was laat. Het verkeer had tegen gezeten. Ze wilde hem zo graag zien. Het laatste stukje naar het station. Net te hard. Te hard om de man te ontwijken die plotseling voor haar auto de weg overstak. Hij raakte haar bumper, sloeg tegen het raam, over de auto. Bleef liggen terwijl langzaam een plas bloed verscheen.

De ambulance was snel verschenen ondanks de spits. De man op het asfalt leefde nog. Nauwelijks maar toch. De eerste handelingen werden verricht. De man had nog een kans. Infuus, vocht. Bloeden stelpen. Monitor. Letsel aan alles. Dit werd een moeilijke klus. Terwijl ze met hem bezig waren vonden ze zijn portemonnee. Belangrijk. Mensen moesten gebeld worden. De ambulancechauffeur gaf de portemonnee aan de politie. De man was klaar voor vervoer. Samen tilden ze de man de auto in. Vergrendelen. Klop op de deur. Een agent met een vervouwen a4tje. “Uit z’n portemonnee, belangrijk voor jullie denk ik..”. De ambulance rijdt nu. De man is wankel. De broeder leest het papiertje. Helder. Een lange piep klinkt opeens door de wagen. De chauffeur schreeuwt over de sirenes heen of hij moet stoppen voor een reanimatie. De broeder schudt zijn hoofd. Het hoeft niet, de sirenes kunnen uit. De man op de brancard heeft laten weten dat het allemaal niet hoeft, dat hij gelukkig is met een einde.

Veel te laat komt hij thuis. Gedoe op het station. Politie in burger. Zakkenrollers. Zijn portemonnee is hij kwijt. Met inhoud. Een kopie van de aangifte heeft hij in zijn koffertje zitten. Geld, pinpas, brief. Hij voelt zich belazerd. Die brief was belangrijk. De beslissing was zwaar. Nu hij zo ver is gekomen zal hij door moeten zetten. Gelukkig staat de brief op zijn pc. Hij besluit hem meteen nog eens uit te printen. Opent “word” en scrolt naar het bestand: “Verklaring geen reanimatie”

Blad op de rails

Sunday, May 27th, 2007

Hij las de “Rails” wel eens door. Vooral de advertenties waarin mensen elkaar zochten, vaak na slechts een schuchter oogcontact. Grappig. Blijkbaar sloeg de bliksem wel eens over onder de bovenleiding. Sinds kort herkende hij het.

Ingestapt in Utrecht was hij gaan zitten. Tweede klas en het was in de begindrukte net voor de spits. Terwijl de trein vertrok keek hij eens het treinstel door. Niet veel te zien, het zicht beperkt omdat hij links achterin zat. Hij kon alleen de banken naast hem en net een set banken naar rechts voor kijken. Vluchtig keek hij de medepassagiers langs. Kalende ambtenaren met leren kantoortassen, sommige met schouderband. Zakenfiguren met koffertje. Ok, hij was dan kalend maar hij droeg wel een rugzak. Dat was eigenlijk net zo beeldbepalend bedacht hij.

Moe keek hij naar buiten waar de herfst had toegeslagen. Het kon nog net want het werd nu snel donker. Het raam begon te spiegelen. De coupe werd duidelijker zichtbaar in het voorbijgaande landschap. Dat was leuk want nu kon hij lekker zijn hoofd tegen de koele zijkant van de bank aanleggen en zo toch een beetje rondkijken. Lang hield hij het niet vol. De mensen waren stil, bewogen werd er weinig. Al snel sloot hij zijn ogen, dommelde weg, slechts wakker gehouden door zijn eigen vermoeidheid.

Station Gouda. Hij ging rechtop zitten. Mensen gingen naar buiten, mensen kwamen binnen. Zij ook. Een beetje tuttig met kantoorrok. Niet zo’n christelijke rok waarvan je er op deze route er wel eens meer van zag, vaak hangend om puberale meisjes die blijkbaar in kuddes van a naar school gingen omdat in hun woonplaats niet de juiste school te vinden was. Een nette, ietwat tuttige kantoorrok. Hij verbaasde zichzelf door naar haar te blijven kijken terwijl ze ging zitten. Rechts van het pad, in de volgende box tegenover hem zodat hij haar nog net kon zien. Hij bleef kijken terwijl ze zich nestelde op de bank tegenover hem. Ze merkte het niet, kruiste haar benen netjes en pakte een boek. Mooie ogen bedacht hij. Ze keek op en hij wendde zich af. Oef!

Terwijl de trein alweer in volle vaart was gekomen waagde hij het om weer op te kijken, Haar jas was nu los terwijl ze zat te lezen. Ze was echt leuk. Hij verbaasde zichzelf weer over die gedachte. Ze was tuttig!! Wat had hij? Waarom raceten de gedachten door zijn hoofd, kon hij ze niet vastzetten? Hij zat te staren, grofweg te staren en ze voelde het. Keek op. Zag hem. Zag hem staren. Keek terug. Hij voelde zich onmetelijk warm worden. Bloed steeg naar zijn hoofd. Paniek! Verwarring!! Buiten was het opeens heel interessant…Heel mooie ogen.

Wat moest hij nu? Hij moest weer kijken, gedwongen. Maar hij kende dit niet. Dit waren onbetreden paden. Daarom wilde hij eigenlijk ook niet. Dit was hij niet. Hij besloot zijn ogen weer dicht te doen, leunde weer tegen de hoofdsteun van de bank. Hij zuchtte. Keek naar buiten en ving een glimp op in het raam. Hij kon haar zien! Maar net, niet scherp, schuin en vertekend. Hij keek, keek via het glas. Ze las weer met haar wonderschone ogen.

Wat nou! Overboord met al die zekerheden! Weg met gekozen veiligheid! Wat wilde hij nou? Maar wat nou als, wat nou als het misging? Wat nou als het klikte? Mond vol tanden? Lak! Hij verschoof en keek weer naar haar terwijl ze zat te lezen. Wat was dat nou voor rare sjaal? Eigenlijk droeg ze ook wel tuttige schoenen… Hij verviel weer in een onbeschaamd staren. Als ze nu keek zou hij haar gewoon aankijken. Langer dan comfortabel. Zo werkte dat toch? Ze keek… hij keek een eeuwigheid en ze lachte. Ze lachte en gooide keihard een ongelofelijke hoeveelheid benzine op het vuur. Volkomen de weg kwijt zakte hij weer weg naar links. Wat was dit? Goed? Slecht?

Wat nu!? Hij hoorde het zichzelf schreeuwen. Hij wilde weg, hij wilde blijven. Wat nu!? Nog even, straks misschien bij het uitstappen, een kans? Maar wat, o mijn god, wat moest hij zeggen? In zijn hoofd was hij al stappen vooruit die even plotseling als weer terug werden gedaan. Paden werden bewandeld maar eindigden allemaal abrupt in een labyrint van gedachten. Hij staarde in het raam waar haar gespiegelde beeld ook niet bijdroeg aan het vinden van rust, aan het vinden van de moed.

Den Haag Centraal. Eindpunt en ze was er nog. Kritisch punt. Doe nou! Niet! Hij stond op. Zij stond op. Hij liet haar voorgaan toen ze haar box uitkwam. Het middenpad op. Ze lachte zijn hoofd op hol zoals ze had gedaan als hun blikken elkaar nog eens kruisten en hij verdronk in haar ogen. Geen zinnig woord zou hij zo kunnen spreken hoogstens “uh”. Op het balkon steeg de hartslag en werd het warm. Ze stapten uit. Wat moest hij zeggen? Wat kon hij doen?

Vanaf het perron liep hij de hal in. Ze liep nu achter hem. Hij maande zichzelf tot actie en besliste dat het zo niet kon. Dat hij anders die nacht wakker zou liggen, zichzelf vervloekend. Hij draaide zich om… weg! Ze was weg. Nergens meer te zien. Hij liep terug tegen de stroom in. Weg! Hij liep een rondje in de hal, de boekenwinkel, de cd-zaak. Zoekend. Nog een rondje in de hal, naar het perron in de hoop haar weer te vinden. Maar ze was er niet. Niet meer.

In de bus was hij boos geweest. Boos op de bliksem die was ingeslagen. Boos op zichzelf. Boos om de gemiste kans wat te doen. In de dagen erna sloeg de boosheid om in verlangen, in dromen van wat had kunnen zijn op wel honderd manieren. In de stilte van die dromen nam hij de beslissing om een volgende keer het gewoon te doen…

Het bos van de negen

Saturday, May 26th, 2007

Ik dwaalde door het bos totdat ik bij een water kwam. Ik nam een slok terwijl de vissen onder mijn handen wegschoten. Koel helder water met sterren erop. Dit was de plek om mijn kamp op te slaan. Een omgevallen boom om op te zitten, mos om op te liggen. Ik verzamelde negen stenen voor mijn kring en hout om vuur te stoken terwijl de avond viel. Op mijn boom zat ik te denken waar mijn pad zich heen zou kronkelen en zong een oud dwalerslied:

“Paden, wegen
kennen geen begin

Kom stap in ferme passen
over karresporen heen
Vrees geen trollen en geen heksen
want die zijn toch slecht ter been

Paden, wegen
kennen nooit een eind

Kom stap in ferme passen
over karresporen heen
Vrees geen rovers en bandieten
in mijn rugzak zit slechts steen”

Met het laatste woord besefte ik dat ik mijn negensteens kring nog moest maken voor de nacht definitief viel. Rond de zachtste plek in het mos, legde ik een cirkel van steen zodat een vredige slaap mij zou kunnen overmeesteren tot de eerste vogels zouden gaan zingen. Nog voor mijn hoofd het mos raakte sliep ik al een slaap zonder dromen.

=====

Zacht kwamen ze aangelopen, eigenlijk was het meer zweven. Op vijf poten en onderling verbonden door een rood gloeiende ketting. Hoorns van staalblauw rondom een hoofd met drie ogen. Ze snoven, kwijlden, bliezen naar elkaar, de negen. Ze liepen om de kring. Voorzichtig. De voorste beroerde met zijn hoornen poot 1 van de stenen en met een pijnlijke schreeuw sprong hij achteruit. Dit hadden ze vaker gezien, gevoeld. Wild liepen ze door elkaar heen, kettingen rinkelden maar raakten niet in de knoop als zij elkaar vloeiend doorkruisden. Een ziel, een dwaler, een kring. Honger, drang. De kring was te veel, nooit zouden ze hem kunnen doorbreken. Ze wisten het. Uiteindelijk was het de voorste die om de cirkel heen liep. De ketting kwam strak te staan en zo trok hij de tweede van de negen mee… Langzaam vormde zich een cirkel verbonden door een rode gloed. En zo gebeurde het dat bij elke steen 1 van de negen stond. De kettingen strak. Een cirkel van negen stenen, een cirkel van de negen er precies omheen. Pas. Instinctief voelden de negen dat dit bijzonder was, een sleutel. Alsof het afgesproken was stapten ze gelijktijdig de cirkel in. Niets gebeurde, geen pijn, geen schok. Met een vreugtekreet stortten ze zich op de slapende man.

=====

Ik loop door het bos en heb honger. Net als ik een bes wil plukken trekt een rood gloeiende ketting mij mee. Ik schreeuw. Wij zijn tien. Op zoek naar een dwaler, een reiziger die gaat slapen in ons bos. Die denkt dat negen stenen, hem van ons verlost.

Bos van de negen